Voortplanting
In apri en begin mei verzamelen de mannetjes van de bastaardkikker zich in het voortplantingswater. De paartijd duurt tot eind juni - begin juli, met een piek tussen half april en half juni. Hierbij wordt hoofdzakelijk 's avonds gekwaakt, maar ook wel overdag op warme zonnige dagen. Overdag houdt de bastaardkikker zich voornamelijk op aan de rand van het water tussen de oevervegetatie. Vanaf de eerste helft van mei kunnen de legsels worden aangetroffen, die vaak tussen planten liggen die wat verder van de kant af staan. Van half juni tot half augustus is het grootste aantal larven te vinden.

Levenswijze
Groene kikkers verlaten hun winterverblijfplaatsen ongeveer vanaf maart, maar meestal aanmerkelijk later dan de bruine kikker en de heikikker. Ze zijn vooral overdag actief, maar in de voortplantingstijd ook 's nachtsen in de schemering. Ook buiten de paartijd leven ze vooral in de directe nabijheid van water. Ze zijn schuw en bij verstoring op land springen ze direct het water in en verbergen zich tussen waterplanten of graven zich in de waterbodem in. De larven bevinden zich bij zonnig weer in de bovenste waterlagen liefst nabij waterplanten. Bij verstoring duiken ze snel tussen de plantenmassa. De metamorfose van larven vindt in Nederland plaats vanaf augustus tot begin oktober, met een piek tussen half augustus en half september. Na half oktober verblijven de meeste dieren in hun winterverblijfplaatsen.
Er bestaat nauwelijks verschil in voedselkeuze tussen de drie soorten groene kikkers. Volwassen groene kikkers zijn generalisten en opportunisten en eten vrijwel alle ongewervelde dieren die niet te klein of niet te groot zijn. Allerlei insecten (vooral de larven daarvan), zoals vliegen, kevers, libellen, wespen en mieren, verder cicaden, springstaarten, spinnen, slakken vormen belangrijke prooidieren. Ook worden wel kleine gewervelde dieren zoals jonge muizen, vogels en kleinere amfibieën, gegeten. Kannibalisme komt voor. Larven leven vooral van plantaardig materiaal, detritus en dood materiaal van dierlijke oorsprong en schakelen met toenemende leeftijd over op levend dierlijk materiaal.