Voortplanting
Van origine is de geelbuikvuurpad een bewoner van overstromingszones van heuvellandbeken en natte graslanden bij bronbeken. Dit zijn zeer dynamische habitats, waar continu nieuwe natte plekken ontstaan. Juist deze tijdelijke ondiepe wateren vormen het natuurlijke voortplantingsbiotoop van de geelbuikvuurpad. Door toedoen van de mens zijn dergelijke situaties grotendeels verdwenen. Er zijn vervangende voortplantingsbiotopen geschapen in de vorm van met water gevulde karrensporen, kaalgevreten veedrinkpoelen en natte plekken in weilanden.
De paartijd is vanaf april tot augustus. Eieren worden afzonderlijk afgezet of in kleine klompjes of korte strengetjes aan grassprietjes, dode takjes e.d. Het aantal afgezette eieren kan oplopen tot 130, afhankelijk van het grootte van het vrouwtje. De ei-afzet spreidt zich over een relatief lange periode uit. Gemetamorfoseerde jongen vanaf juni; bij hen is de buiktekening fletser dan bij volwassen dieren. Larven zijn tot ver in de herfst nog aan te treffen. Vanaf half september wordt de landhabitat opgezocht.
Levenswijze
De geelbuikvuurpad is een warmteminnende soort die in Nederland vooral wordt waargenomen in ruderaal terrein (groeven) en in halfnatuurlijke graslanden. De geelbuikvuurpad maakt gebruik van twee typen wateren: tijdelijke wateren voor de voortplanting en sterker begroeide wateren om buiten de voortplanting in te verblijven.
Geelbuikvuurpadden vertonen op land een bijzondere afweerhouding: de zogenaamde “Unkenreflex”, waarbij de rug hol en de pootjes omhoog getrokken worden, waardoor de felgele waarschuwingskleuren aan de zijkanten te zien zijn. Deze afweerhouding kan enige minuten duren. In het water hangen dieren veelal stil aan de oppervlakte en vertrouwen daarbij op hun onopvallende rugkleur, waardoor ze er als een kluitje aarde uitzien.
Voedsel: larven eten algen, vlokreeften, muggenlarven e.d., adulten allerlei ongewervelde dieren als spinnen, kevers, rupsen en wormen.